OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Waarom moeten we daar naar boven?

Arthur Kudelka, hoofd van de service-afdeling

Arthur Kudelka, onze servi­cemanager bij LOWA, is het eerste aanspreekpunt voor het LOWA PRO TEAM en is zelf een ervaren alpinist. Hij is erin geslaagd hobby, passie en beroep te combineren en heeft daarom een heel andere kijk en is zeer gemo­tiveerd. Hij deelt dat met ons in het kader van #ForThe­NextStep.

Waarom moeten we daar naar boven?

Het is juni 2019 en ik zit met mijn klim­partner in een oude leger­he­li­kopter van het Russische leger, die ons naar het basiskamp van de Khan Tengri in Kazachstan brengt. We landen op 4000 meter hoogte op de Eňilček­gletsjer en betrekken onze tenten. Onze blik wordt steeds weer getrokken door de klimroute en de toppen, die imposant en steil de hoogte in torenen. De volgende dag beginnen we meteen met de accli­ma­tisatie en in 1,5 week klimmen we langzaam van kamp naar kamp, tot we de Pik Tjapajeva bereiken, een 6000'er vóór ons einddoel. Na de inspan­ningen van de accli­ma­tisatie gunnen we ons lichaam nog 2 dagen rust voordat we op pad gaan voor de uitein­delijke poging voor de top. De weers­ver­wachting voor de summitdag is goed en we kunnen bijna niet wachten om te beginnen.

Eindelijk beginnen we. Ik snuif als een loco­motief, hoewel ik eigenlijk goed geac­cli­ma­tiseerd en fit ben. De afzon­derlijke etappes tussen de hoog­te­kampen zijn nog steeds steil en lang, daaraan verandert helaas ook de hoog­te­ge­wenning niets. Na drie dagen klimmen staan we nu voor de tweede keer op de Pik Tjapajeva. Het sneeuwt en we kunnen haast niets zien. Toch gunnen we onszelf een korte drinkpauze voordat we ons via een abseilpunt langs de bergkloof laten zakken. Kamp 3 ligt op 5900 meter, dus we moeten de zwaar­be­vochten hoog­te­meters weer afdalen. Moe bereiken we onze laatste bivak­plaats en we zetten onze tent op. We proberen nog wat energie bij te tanken en vroeg te gaan slapen, ook al kan het lichaam zich op grote hoogte nauwelijks herstellen.

De nacht is kort; de wekker gaat al om middernacht af. We zetten het fornuis aan en proberen wat te ontbijten. Om 1.30 uur zijn we al onderweg. Het is koud, ik denk ongeveer – 20°C of nog kouder. Als ik stilsta, krijg ik het meteen koud. Dus is het motto: door blijven gaan. De topetappe is alles­behalve gemak­kelijk. Meer dan 1100 hoog­te­meters klimmen leiden tot de 7010 meter hoge top, meestal in valge­vaarlijk terrein. Na ongeveer 3 uur begint het eindelijk licht te worden, maar de tempe­ratuur blijft ver onder het vriespunt. We klimmen naar het noorden en westen en de zon bereikt ons niet. We kunnen wel eindelijk onze hoofd­lampen uitzetten en verder klimmen met daglicht. Na ongeveer 5 uur klimmen staan we eindelijk aan het einde van de markante couloir en wordt het terrein wat vlakker. We moeten nu wel goed zoeken, want het heeft de dag ervoor gesneeuwd en we zijn de eersten hierboven. Nog eens 2 uur inspannend speurwerk gaan voorbij en de top wil zich niet laten zien. Na nog een paar stappen zie ik eindelijk het kleine houten kruis. Het is binnen hand­bereik. Nog maar een paar meter denk ik, maar op deze hoogte is iedere meter moeizaam.

Een half uur later staan we eindelijk op de top van de Khan Tengri op 7100 meter. Het uitzicht is adem­be­nemend. Het is bijna onbewolkt en we kunnen in alle rich­tingen kijken. Het Tiensjan­ge­bergte toon zich met zijn enorme gletsjers en berg­toppen in volle glorie. Omdat de Khan Tengri een grensberg is, staan we ook nog eens tege­lij­kertijd in Kazachstan, Kirgizië en China. Een onbe­schrijflijk gevoel. We nemen de tijd om wat foto’s te maken en om te genieten van het moment voordat we teruggaan naar kamp 3. Na in totaal 14 uur lig ik naast onze tent in de zon en wil ik me niet meer bewegen. Ik accepteer een paar feli­ci­taties, scheur mijn pakje gummi­beertjes open en geniet van dit onver­ge­telijke moment.